Nieuws

Wijziging Boek 7, titel 7, afdeling 5, BW: op 4 juni jl. aanvaard

In 2016 werd een voorstel tot wijziging van een aantal artikelen van Boek 7, titel 7, afdeling 5, BW ter consultatie voorgelegd. Het ging om wijzigingen van de artikelen 7:448 BW (de informatieplicht), 7:451 BW (schriftelijke vastlegging toestemming), 7:454 BW (dossierplicht), 7:455 BW (recht op vernietiging van bepaalde bescheiden), 7:456 BW (inzage- en afschriftrecht), 7:457 BW (geheimhoudingsplicht), 7:458 BW (inlichtingen en inzage in het kader van statistiek of wetenschappelijk onderzoek) en 7:464 BW (schakelbepaling). Het wetsvoorstel, zie Kamerstukken 34994, werd op 12 juli 2018 bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel is enigszins anders van opzet dan de consultatieversie.

Hier belicht ik de wijziging van artikel 7:457 BW en 7:458 BW door de toevoeging van artikel 7:458a BW (in het wetsvoorstel artikel I, onderdeel G). Artikel 7:458a BW regelt een recht op inzage in en afschrift van het medisch dossier voor nabestaanden, voormalig vertegenwoordigers en ouders of voogden van overleden kinderen. Het doel van het artikel is duidelijkheid te creëren voor zowel hulpverleners als nabestaanden en tegemoet te komen aan de behoefte van nabestaanden om het medisch dossier te kunnen inzien.

De afzonderlijke leden bekeken, volgt uit artikel 7:458a, eerste lid, onder a, BW dat een persoon ten behoeve van wie de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven een inzagerecht heeft. Toestemming bij leven is dus een eerste grond om na overlijden van de patiënt het beroepsgeheim te doorbreken.

Een tweede grond volgt uit artikel 7:458a, eerste lid, onder b, BW; een nabestaande (als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)) of een gemachtigde van de patiënt (als bedoeld in artikel 7:465, derde lid, BW) heeft de mogelijkheid van inzage als de hulpverlener aan die nabestaande of gemachtigde reeds eerder een mededeling heeft gedaan over een calamiteit of geweld in de zorgrelatie. In dat verband is verwezen naar artikel 10, derde lid, Wkkgz dat ziet op een mededeling aan patiënten, vertegenwoordigers en nabestaanden over de aard en toedracht van alle incidenten die merkbare gevolgen hebben gehad voor de patiënt.

Een derde grond voor doorbreking van het beroepsgeheim is ingevolge artikel 7:458a, eerste lid, onder c, BW gelegen in de aanwezigheid van een zwaarwegend belang, zulks in navolging van de reeds ontwikkelde jurisprudentie. Deze grond geldt voor een ieder. Uit de toelichting volgt dat voldaan moet zijn aan twee voorwaarden:

1) Het belang van geheimhouding van informatie uit het medisch dossier moet worden gewogen tegen het zwaarwegend belang van de persoon die zich hierop beroept. Inzage wordt alleen gegeven wanneer aan de hand van voldoende concrete aanwijzingen wordt aangetoond dat het zwaarwegende belang geschaad zou kunnen worden.

2) Inzage moet noodzakelijk zijn voor de behartiging van dit zwaarwegende belang. Als voorbeeld van een zwaarwegend belang is het aanvechten van een rechtshandeling genoemd, waarbij betwist is dat de overleden patiënt wilsbekwaam was ten tijde van die rechtshandeling (opstellen of wijzigen van een testament). Een emotioneel belang is onvoldoende.

Aan de ouders en voogd (een voogd kan ook zijn een persoon in dienst van een gecertificeerde instelling) van een overleden minderjarige tot en met vijftien jaar is een ruimere inzagebevoegdheid toegekend, zo volgt uit artikel 7:458a, tweede lid, BW. Zij hebben een algemeen recht op inzage en afschrift, tenzij dit strijdig zou zijn met het goed hulpverlenerschap. Wel hebben minderjarigen van twaalf jaar en ouder de mogelijkheid om bij leven bezwaar te maken tegen die inzage of dat afschrift. Dit recht van bezwaar geldt ook voor wilsbekwame meerderjarigen, aldus artikel 7:458a, vierde lid, BW.

De ‘veronderstelde toestemming’ is niet als grond opgenomen. In de praktijk is deze grond echter een veel gebruikte en daarom ontmoet(te) het voorstel in deze vorm kritiek. Ook tijdens het op 16 april jl. gevoerde debat werd meer dan eens aan de orde gesteld waarom ‘de veronderstelde toestemming’ als grond voor inzage in het dossier van een overleden niet in het wetsvoorstel is opgenomen. Minister Bruins gaf in reactie daarop te kennen te streven naar duidelijkheid. De veronderstelde toestemming is tegen die achtergrond niet passend te noemen, omdat zij interpretatie zou behoeven en tot uitvoeringsvragen zou leiden, aldus de minister. Tijdens het debat werd tevens een aantal moties ingediend en een aantal amendementen, onder meer verband houdende met het inzagerecht.

Op 19 april jl. werd voorts door de leden Hijink en Mulder een gewijzigd amendement ingediend (nr. 18, ter vervanging van nr. 10), inhoudende de toevoeging van een nieuw artikel 7:458b BW. Het amendement regelt dat indien degene die verzoekt om inzage of afschrift vanwege een zwaarwegend belang geen afschrift of inzage van de hulpverlener verkrijgt, de hulpverlener inzage of afschrift dient te verstrekken aan een door de verzoeker aangewezen onafhankelijke arts. Deze arts krijgt hiervoor inzage in de relevante delen van het medisch dossier. Indien de weigering volgens de arts niet gerechtvaardigd is, verstrekt de hulpverlener alsnog inzage of afschrift aan de verzoeker. Indien de arts oordeelt dat de weigering tot inzage of afschrift gerechtvaardigd is, laat dit de mogelijkheid voor de verzoeker om een juridische procedure te starten onverlet. Met dit amendement wordt een laagdrempelige, onafhankelijke en tijdige beoordeling van een verzoek tot inzage van het medisch dossier van een overleden patiënt door de verzoeker georganiseerd.

De plenaire vergadering vond plaats op 23 april jl., in welke vergadering is gestemd over het wetsvoorstel, de moties en de amendementen. Het wetsvoorstel is aangenomen evenals het hiervoor beschreven amendement van de leden Hijink en Mulder (nr. 18).

Op 4 juni jl. werd het wetsvoorstel door de Eerste Kamer als hamerstuk afgedaan.

Verschenen: Kernregelgeving gebruik digitale patiëntgegevens – een korte introductie
Deze korte introductie geeft een overzicht van regelgeving op het terrein van het gebruik van patiëntgegevens. In de in- en externe omgeving van zorginstellingen en zelfstandig werkende beroepsbeoefenaren zijn steeds meer processen digitaal. Deze ontwikkeling brengt nieuwe problemen met zich en roept vragen op. De regelgeving over het gebruik van persoonsgegevens al dan niet langs elektronische weg is echter talrijk. Dat geldt evenzeer voor regelgeving op het terrein van de gezondheidszorg. Inzicht in wat rechtens is, wordt daardoor bemoeilijkt. Daarom is getracht een relevante selectie te maken van zowel de gezondheidsrechtelijke regelgeving als de regelgeving ter zake van het gebruik van persoonsgegevens en elektronische omgevingen. Het doel is de eerste handvatten te bieden. De regelgeving zelf zal de weg wijzen bij een specifieke vraag of casus.Zie voor meer informatie hier.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat toerekening tekortkoming door ongeschikte hulpzaak redelijk is

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees op 27 november 2018 arrest in – wederom – een kwestie waarin het gebruik van een implantaat centraal staat. Het gaat om de Miragelplombe, een oculair implantaat. Het hof oordeelde dat de Miragelplombe ongeschikt is en dat ingevolge de hoofdregel van artikel 6:77 BW de door het gebruik van een ongeschikte medische hulpzaak ontstane tekortkoming aan de hulpverlener moet worden toegerekend. Het hof volgde het beroep van het Radboudumc dat toerekening onredelijk zou zijn niet en wees in dat verband op de gebruikelijke gezichtspunten.

Hieronder treft u het arrest:

Hieronder treft u voorts een artikel van mijn hand over dit onderwerp:

Wetsvoorstel wijziging Boek 7, titel 7, afdeling 5, van het Burgerlijk Wetboek

Op 12 juli 2018 diende de minister voor Medisch Zorg een wetsvoorstel in tot wijziging van Boek 7, titel 7, afdeling 5, BW. Dit wetsvoorstel stelt de patiënt beter in staat om op basis van voldoende informatie toestemming te geven voor een behandeling of onderzoek (‘shared decision making’). Daarnaast wordt de bewaartermijn van het medisch dossier verlengd (20 jaar). Het wetsvoorstel voorziet ook in een wettelijke regeling voor nabestaanden om het medisch dossier van een overleden patiënt in te zien.

Hieronder treft u het wetsvoorstel:

Gerechtshof Den Haag stelt aan de Hoge Raad prejudiciële vragen  betreffende artikel 6:77 BW

Het Gerechtshof Den Haag wees op 13 februari 2018 een arrest in een metaal-op-metaal heupprothese kwestie waarin de aansprakelijkheid van het ziekenhuis en de orthopedisch chirurg voor het gebruik van de ongeschikte prothesen centraal staat. Gezamenlijk behandeling met de zaak waarin de producent van de heupprothesen aansprakelijk is gesteld is wenselijk, aldus het hof. Niettemin wil het hof nu eerst prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stellen, zulks mede met het oog op het belang van de rechtspraktijk duidelijkheid te verkrijgen over de toepassing van artikel 6:77 BW. Meer in het bijzonder gaat het om de vraag wanneer met succes betoogd kan worden dat de rechter tot het oordeel moet komen dat toerekening van de tekortkoming door het gebruik van een ongeschikte zaak aan een hulpverlener onredelijk is.

Hieronder treft u het arrest:

Verschenen: Aansprakelijkheid voor zorggerelateerde schade, tweede druk

Met het nieuwe jaar verscheen de tweede druk van mijn handboek over aansprakelijkheid voor zorggerelateerde schade. Op veler verzoek heb ik de titel van het handboek – dat was voorheen Medische Aansprakelijkheid – gewijzigd en in overeenstemming gebracht met de dissertatie.

Zie voor meer informatie de website van Boom Juridische uitgevers.

Verschenen: Monografieën BW – De Geneeskundige Behandelingsovereenkomst

Op 10 november 2017 verscheen in de serie Monografieën BW het deel dat ziet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst. Het deel werd door mij dit jaar geschreven.

Zie voor meer informatie de website van Kluwer.

Hoge Raad oordeelt opnieuw over verloren kans bij behandeldelay

Afgelopen vrijdag, 27 oktober 2017, heeft de Hoge Raad opnieuw arrest gewezen in een medische aansprakelijkheidskwestie en formuleerde hij opnieuw een rechtsregel. In dit geval ging het om een gemist caudasyndroom en de vraag of het delay in relatie stond met de restverschijnselen van de patiënte. De in dat verband ingeschakelde deskundige had aangegeven dat bij een syndroom als dit zo snel mogelijk moet worden ingegrepen. Voorts verklaarde hij dat het zo kan zijn dat tijdens het ontstaan van de hernia acuut dusdanige druk op zenuwen ontstaat dat deze op dat moment al onherstelbaar beschadigd zijn. Daar staat tegenover dat bij minder ernstige druk langdurige compressie wellicht leidt tot minder goed herstel. Over de omvang van de verloren kansen kon de deskundige echter geen uitspraak doen. In navolging daarvan had het hof geoordeeld dat de vordering van patiënte moest worden afgewezen; het oorzakelijk verband was volgens het hof bij gebrek aan een reële verloren kans niet komen vast te staan.

De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof – in het licht van hetgeen de deskundige had verklaard – niet tot die conclusie had kunnen komen. De Hoge Raad overwoog daartoe dat uit het feit dat een deskundige een kans niet in een percentage kan uitdrukken omdat naar de grootte van die kans geen onderzoek is gedaan, niet volgt dat die kans niet in een rechtens relevante omvang bestaat. Het hof had – nu de deskundige geen kanspercentage kon noemen maar zijn antwoorden niet uitsluiten dat van het verlies van een reële kans sprake kan zijn geweest – nader moeten onderzoeken of door het delay een reële kans op een betere uitkomst verloren is gegaan, en had – bij bevestigende beantwoording van die vraag – vervolgens tot een zo goed mogelijke schatting van deze kans moeten komen. Daartoe had het hof bijvoorbeeld de deskundige op een zitting nader kunnen bevragen.

Hieronder treft u het arrest:

Hoge Raad spreekt zich uit over verloren kans in kwestie van medische aansprakelijkheid

De Hoge Raad wijst met regelmaat belangrijke arresten. Soms zijn de daarin geformuleerde rechtsregels van belang voor aansprakelijkheidskwesties, meer in het bijzonder voor ‘medische’ aansprakelijkheidskwesties. Zo ook het arrest van 23 december 2016 waarin de Hoge Raad zich uitliet over de wijze waarop de benadering van de verloren kans in een medische zaak moet worden toegepast. Het ging in deze zaak om de vraag in hoeverre de blindheid van de prematuur geboren baby Esther (één van een tweeling, de andere baby overleed in de eerste week na haar geboorte) die was ontstaan door een netvliesloslating het gevolg was van een te laat verrichte controle van beide ogen door een oogarts van het Erasmus Medisch Centrum.

De regel die de Hoge Raad formuleerde komt erop neer dat bij de beantwoording van de vraag of voor een patiënt een kans op een beter behandelingsresultaat verloren is gegaan, eerst – zoals in elk geval – moet worden beoordeeld of is gehandeld in strijd met de norm van hetgeen een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot betaamt. Indien wordt geoordeeld dat in strijd met deze norm is gehandeld, dan moet vervolgens ter beoordeling van het causaal verband tussen de normschending en de gestelde kansschade een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de normschending en de hypothetische situatie. Wat de feitelijke situatie betreft, gaat het om de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen. Wat de hypothetische situatie betreft, gaat het om de vaststelling van wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending en een juiste behandeling zou zijn toegepast.

Hieronder treft u het arrest:

Mr. C.J. Goudsmitprijs
Elke twee jaar kent de Vereniging voor Gezondheidsrecht de mr. C.J. Goudsmitprijs toe. De prijs is genoemd naar de eerste voorzitter van de vereniging, mr. C.J. Goudsmit (1901-1975). De prijs is een aanmoedigingsprijs ter stimulering van de kwaliteit en kwantiteit van artikelen over het gezondheidsrecht. De prijs bedraagt € 1.500,- en wordt door een jury toegekend aan een werk over het gezondheidsrecht dat geschreven is in het Nederlands of door een Nederlander. De winnaar wordt gehuldigd tijdens de jaarvergadering van de vereniging.
De mr. C.J. Goudsmitprijs 2015 is uitgereikt tijdens de VGR-jaarvergadering op 24 april 2015 aan mr. dr. R.P. (Rolinka) Wijne, in het bijzonder voor haar proefschrift ‘Aansprakelijkheid voor zorggerelateerde schade’.